Biocide producten worden voor 10 jaar toegelaten. Daarna wordt opnieuw beoordeeld of ze veilig zijn. Het kan zijn dat een middel dan niet meer mag worden gebruikt, of dat een fabrikant het van de markt haalt. Zo’n ‘vervallen’ middel veroorzaakt veel onbegrip onder de gebruikers, zeker als daardoor tekorten ontstaan.

We leggen uit waarom producten vervallen en hoe gebruikers een vergelijkbaar alternatief kunnen vinden. We geven hierover twee mensen het woord: beleidsmedewerker biociden Jan Willem Andriessen van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), en deskundige infectiepreventie Ben Minderhoud over de gezondheidszorg.  

Bedrijven doen er meestal alles aan om een product op de markt te houden. Ze hebben er immers veel in geïnvesteerd. Toch kan het gebeuren dat een middel ‘vervalt’. Jan Willem Andriessen: “De echte reden waarom een product vervalt weet het Ctbg vaak niet. Fabrikanten vermelden dat er niet bij en ze zijn daar ook niet toe verplicht. We hebben wel de indruk dat het vooral commerciële redenen zijn.”  

Drie redenen 

Er zijn drie belangrijke redenen dat producten vervallen, vertelt Andriessen. Als eerste kan de fabrikant er zelf voor kiezen een product van de markt te halen. Bijvoorbeeld omdat het commercieel niet meer interessant is om te investeren in een nieuwe beoordeling. De beoordeling en de benodigde nieuwe studies kosten namelijk geld. Ook kunnen fabrikanten bij een fusie hun producten tegen het licht houden en bekijken welke nog interessant genoeg zijn.  

De tweede reden is dat een biocide product een toelating krijgt voor 10 jaar en daarna opnieuw moet worden beoordeeld en dan aan de laatste eisen moet voldoen. Deze eisen kunnen strenger zijn door nieuwe inzichten, waardoor een biocide product niet meer toelaatbaar is en dus niet meer mag worden gebruikt.  

Ten slotte moeten biocide producten gaan voldoen aan de Europese wetgeving voor biociden. Dat betekent dat voor alle producten dezelfde, nieuwe Europese eisen gaan gelden. Daarvoor is wederom een nieuwe beoordeling (herregistratie) nodig, waarbij producten kunnen wegvallen.  

Hoe weet ik of een middel is toegelaten? 

Andriessen: “Alle toegelaten producten staan in de databank van het Ctgb, of van de Europese counterpart ECHA. Een middel moet in een van deze databanken staan om in Nederland te mogen worden gebruikt. In die databank staat ook waarvoor middelen mogen worden gebruikt. 

Hoe weet ik voor welk gebruik een desinfectiemiddel is toegelaten? 

Ben Minderhoud: “De informatie in de folder van een product kan verschillen van de daadwerkelijke toelating. In de praktijk kijken gebruikers niet altijd of een product ook geschikt is voor het doel waarvoor ze het willen inzetten. Bijvoorbeeld of een desinfectiemiddel ook tegen virussen werkt, als ze dat willen. Die informatie staat in de databank maar je moet er wel expliciet naar zoeken. Ik vind het belangrijk dat de deskundigen infectiepreventie daar goed naar kijken. Dat is belangrijk omdat anders met een middel wordt gedesinfecteerd dat niet aantoonbaar werkt tegen het micro-organisme dat onschadelijk moet worden gemaakt.”  

Kunnen gebruikers voorkomen dat ze verrast worden als een middel van de markt verdwijnt?  

Jan Willem: “Niet echt. Fabrikanten kondigen niet altijd op tijd aan dat ze een product van de markt halen, want dan wil niemand het meer kopen. Wel is er een zogeheten respijttermijn: fabrikanten mogen een product nog een half jaar na de vervaldatum verkopen. Gebruikers hebben een jaar na die datum de tijd om hun voorraden op te maken. Er is één uitzondering: als er bij de herbeoordeling een onverwacht groot risico blijkt te zijn, dan moet het product meteen van de markt af.” 

Minderhoud: “Bij de keuze van een middel doe je er dus goed aan om de datum van de toelating te checken. Als die dicht bij de 10 jaar zit, kun je bij de leverancier checken of deze een verlenging van de toelating heeft aangevraagd.” 

Welke gevolgen heeft het voor de gebruiker als een product vervalt?  

Minderhoud: “Die moet dan op afzienbare tijd van zijn voorraad af. Het hangt af van de inkoop hoe groot je voorraad is. Meestal wordt alleen ingekocht wat nodig is, maar soms is het meer.”  

“En er is vooral de vraag: wat nu? Je moet een traject in om een alternatief product te vinden. Dat is een hoop gedoe en het kost veel tijd. Vaak wel een jaar. Je moet met veel dingen rekening houden. Heeft een ander middel logistieke gevolgen? Kunnen de oppervlakken in de ruimte er tegen? En hoe is het gebruikersgemak? Heeft het bijvoorbeeld geen vieze geur en is het gebruiksklaar, of moet het verdund worden?  

Hoe vind je een passend alternatief? 

Minderhoud: “Meestal begint het bij de afdeling infectiepreventie. Wat willen we? Daarna doe je een zoekvraag in de Ctgb-toelatingsbank. Tegen welk type micro-organismen moet het middel werkzaam zijn? Vervolgens kijkt een multidisciplinaire commissie naar alle dingen waar we rekening mee moet houden.”  

“Onlangs is het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie (SRI) opgericht, dat de Werkgroep Infectiepreventie vervangt. De SRI gaat infectiepreventie richtlijnen actualiseren, waaronder voor het gebruik van desinfectiemiddelen. Het is nu nog niet bekend hoe die richtlijn eruit gaat zien. De oude, uit 2009, vermeldde slechts een zeer beperkt aantal desinfectiemiddelen dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gedoogde. Inmiddels is het aanbod enorm toegenomen. Hopelijk geeft de nieuwe infectiepreventierichtlijn voor zorginstellingen meer ruimte om zelf te kiezen welke desinfectiemiddelen ze willen gebruiken. Uiteraard rekening houdend met relevante wetgeving en het gebruik waarvoor het middel moet worden ingezet.”