bruine rat

Lokaas met gif voor de bestrijding van ratten en huismuizen komt in 10% van de gevallen buiten de lokdoos terecht. Dat heet versleping. Daardoor ontstaat het gevaar dat diersoorten het lokaas eten dat niet voor hen bestemd is. Maatregelen kunnen helpen dit risico te voorkomen. Dat blijkt uit onderzoek van CLM Onderzoek en Advies, Bureau Waardenburg en Stichting Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD). 

content

Een enquête onder plaagdierbeheersers laat zien dat ongeveer de helft van hen één of meerdere keren versleping heeft waargenomen. Uit cameravallen blijkt dat vaak de huiskat, en in mindere mate grote gele kwikstaart, ekster, roodborst, egel, hond en vos bij de lokdoos gezien wordt. Deze soorten lopen risico op vergiftiging. De volgende voorzorgsmaatregelen kunnen dit risico verkleinen: 

  • Strategische plaatsing van lokdozen is belangrijk. Plaats bij voorkeur op een locatie waar weinig niet-doelsoorten voorkomen en dus de kans op versleping door niet-doelsoorten gering is. 

  • Aanvullende monitoring met bijvoorbeeld cameravallen is aan te bevelen. Zo ontstaat een beter beeld  van de soorten in en rond de lokdozen. 

  • Lokaas in blokvorm en/of het lokaas stevig bevestigen met een klemmetje of ijzerdraad helpt om de kans op versleping te verkleinen. 

  • Het ontwerp van lokdozen kan geoptimaliseerd worden op het gedrag van doelsoorten. Een voorbeeld is het verkleinen van de opening. Daarvoor is meer aandacht en onderzoek nodig. 

  • Het is belangrijk versleept lokaas en kadavers te verwijderen. 

Programma IPM Integrated Pest Management Knaagdierbeheersing 

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, in het kader van het programma IPM Knaagdierbeheersing. Zie het eerdere artikel op biociden.nl van 16 december 2021. Bij dit programma zijn vier ministeries en veel stakeholders betrokken, zoals plaagdierbeheersers, wetenschappers, dierenbescherming, land- en tuinbouworganisaties en overheden.  

Het rapport is te downloaden via de websites van CLM Onderzoek en Advies, Bureau Waardenburg en Stichting Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD)