Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de KWINK groep gevraagd de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) te evalueren. De KWINK groep rondde het evaluatierapport in april 2025 af. In januari 2026 werd het evaluatierapport aangeboden aan de Tweede Kamer.

De wet reguleert zowel gewasbeschermingsmiddelen als biociden en het evaluatierapport gaat op beide in. Dit artikel focust op de uitkomsten van de evaluatie die relevant zijn voor biociden.

Toezicht en samenwerking

Het toezicht op biociden is verdeeld over meerdere instanties. Dit zijn onder andere de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waterschappen en andere toezichthouders. Omdat biociden in veel verschillende sectoren en toepassingen voorkomen, is het toezicht houden lastig. De evaluatie concludeert dat de samenwerking tussen toezichthouders kan worden verbeterd. Nieuwe samenwerkingsafspraken moeten de rolverdeling duidelijker maken. Dit vergroot de effectiviteit van het toezicht.

Grensgevallen

Een terugkerend knelpunt zijn de zogenaamde 'grensgevallen'. Het is soms niet direct duidelijk of producten onder de definitie van biocide vallen of onder een andere categorie zoals gewasbeschermingsmiddel, (dier)geneesmiddel of cosmetica. Dit veroorzaakt onduidelijkheid voor zowel producenten als toezichthouders. De huidige praktijk met overleg en richtlijnen tussen betrokken partijen wordt als werkbaar gezien. Een wetswijziging is hiervoor niet nodig.

IPM Integrated Pest Management (Integrated Pest Management) en rodenticiden

Sinds 2023 geldt voor rodenticiden een verplichting om Integrated Pest Management (IPM) toe te passen. Gebruikers mogen deze middelen alleen gebruiken als zij zijn gecertificeerd en de IPM-stappen volgen. De verplichting is geregeld via de gebruiksvoorschriften op het etiket, niet rechtstreeks in de wet. Een knelpunt is dat IPM pas verplicht is bij daadwerkelijk gebruik van rodenticiden. Hierdoor zijn preventieve maatregelen en niet-chemische bestrijding niet afdwingbaar. Toezichthouders stellen daarom voor om IPM-verplichtingen voor knaagdierbeheersing op te nemen in Europese hygiënewetgeving in plaats van de Wgb aan te passen. Voor andere biociden bestaat geen IPM-verplichting. Daarover is nog weinig ontwikkeling bekend.

Reclame en online handel

De opkomst van online handel maakt toezicht op biociden extra uitdagend. Er is vooral aandacht voor het online aanprijzen van niet-toegelaten biociden. De Wgb kent een nationaal reclameverbod voor biociden die niet zijn toegelaten. Toch blijkt handhaving in de praktijk lastig. Toezichthouders moeten aantonen dat het geadverteerde product daadwerkelijk een biocide is. Dit is arbeidsintensief. De evaluatie beveelt aan om aan te sluiten bij Europese ontwikkelingen rondom het reclameverbod. Maar ook om te onderzoeken of aanscherping van de wet mogelijk en wenselijk is.

Bestuurlijke boete en naleving

De bestuurlijke boete is een van de belangrijkste handhavingsinstrumenten van de Wgb. Voor biociden worden bestuurlijke boetes slechts beperkt opgelegd. De evaluatie constateert dat de boete, zeker voor grotere ondernemingen, niet altijd afschrikwekkend is. Een hogere boete alleen verbetert de naleving waarschijnlijk niet veel. Andere factoren, zoals de controlekans en handhavingscapaciteit, zijn minstens zo belangrijk. De evaluatie adviseert te laten onderzoeken hoe de naleving van de Wgb voor biociden kan worden vergroot. Bijvoorbeeld door meer verschil in boetebedragen en het versterken van het toezicht.

Registratie

Er bestaat momenteel geen centrale registratie van het gebruik of de afzet van biociden. Dit bemoeilijkt het toezicht en de beleidsontwikkeling. Wel loopt er een pilot waarin toelatingshouders vrijwillig afzetgegevens delen met het ministerie van IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Afhankelijk van de uitkomst van deze pilot kan een registratieplicht worden overwogen. Dit zou bijdragen aan een beter inzicht in het gebruik van biociden in Nederland. De biocidesector heeft in principe geen bezwaar tegen een centrale registratie. Wel wijst de sector op de complexiteit vanwege het grote aantal productsoorten en verschillende toepassingen.

Vrijstellingen

Uit de evaluatie blijkt dat het instrument vrijstellingen bij biociden relatief weinig wordt ingezet. Er is hier minder discussie over dan bij gewasbeschermingsmiddelen. Tijdens de COVID-19-pandemie zijn wel vrijstellingen afgegeven voor bepaalde desinfectiemiddelen. Dit gaf binnen de sector aanleiding tot vragen over het gelijke speelveld tussen toegelaten en vrijgestelde producten. In het algemeen zijn er geen signalen dat de toepassing van vrijstellingen bij biociden structurele knelpunten oplevert.

Waterkwaliteit

Biociden kunnen, net als gewasbeschermingsmiddelen, bijdragen aan de verontreiniging van oppervlakte- en grondwater. De problemen met waterkwaliteit zijn urgent: Nederland ligt niet op koers om de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor 2027 te halen. De evaluatie onderstreept het belang van monitoring en van het verder ontwikkelen van beleid en instrumenten die bijdragen aan het verminderen van emissies van biociden naar het milieu. Ook hier wordt het belang van samenhang tussen toelating, gebruiksvoorschriften en handhaving benadrukt.

Conclusies en aanbevelingen in het rapport

De evaluatie van de Wgb laat zien dat de regelgeving voor biociden op een aantal punten aandacht verdient:

  • verbetering van de samenwerking en afstemming tussen toezichthouders.
  • versterking van het toezicht op online handel en het aanprijzen van biociden.
  • onderzoek naar effectievere handhavingsstrategieën om naleving te vergroten.
  • het vergroten van inzicht in het gebruik van biociden in Nederland.
  • blijvende aandacht voor het verminderen van emissies van biociden naar het milieu.

Meer informatie