Het Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek (BuRO) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) adviseert een survey te starten naar biocideresiduen in levensmiddelen. De Inspecteur-Generaal van de NVWA pleit in een managementreactie bij de betrokken ministeries voor versterking van het toezicht en het uitvoeren van de survey.

Door toepassing van biociden in voedselproductieketens kunnen residuen van de werkzame stoffen en andere bestanddelen van biociden in levensmiddelen achterblijven. Dit kan leiden tot blootstelling van de consument aan deze stoffen. Er is momenteel geen duidelijk beeld van de risico’s hiervan.

Onderzoek door BuRO

BuRO vroeg het RIVM om een methode te ontwikkelen om te bepalen welke residuen van biociden het beste als eerste kunnen worden gemeten. Dit onderzoek moest ook inzicht geven in de beschikbaarheid van meetgegevens van residuen van biociden in voedingsmiddelen en in de beschikbaarheid van maximale residulimieten (MRL’s) hiervoor.  

Daarna ging BuRO op eigen initiatief na welke informatie ontbreekt voor het uitvoeren van een risicobeoordeling van biocideresiduen in levensmiddelen. Gegevens over gehalten van residuen in levensmiddelen ontbreken voor een groot aantal stoffen. Daarnaast zijn (Maximale Residu Limieten)’s voor levensmiddelen slechts voor een beperkt aantal werkzame stoffen uit biociden vastgesteld. Dit leidt tot een vicieuze cirkel waarin monitoring (handhaving) en normstelling (MRL’s) op elkaar wachten.  

Een survey naar een geprioriteerde groep werkzame stoffen van biociden in veel geconsumeerde levensmiddelen kan deze cirkel doorbreken. In een volgende fase kan de monitoring worden uitgebreid met andere werkzame stoffen, inclusief omzettingsproducten, co-formulanten, isomeren en desinfectiebijproducten (DBP’s). Deze volgende fase kan zich dan richten op een bredere groep levensmiddelen. De verkregen gegevens kunnen dan worden gebruikt voor normstelling. Dit alles kan bijdragen aan het borgen van de voedselveiligheid.

Adviezen van BuRO

BuRO gebruikte voor haar adviezen het bovengenoemde RIVM-onderzoek waarin een methode is voorgesteld om stoffen uit biociden te prioriteren. Deze methode levert een geprioriteerde lijst van stoffen. BuRO geeft de volgende adviezen aan de Inspecteur-Generaal (IG) van de NVWA:

  • Start een survey naar biocideresiduen in vlees(producten) en zuivel(producten) en gebruik daarbij de door RIVM geprioriteerde lijst van stoffen.
  • Gebruik de methode van RIVM voor de prioritering van stoffen voor andere veel geconsumeerde levensmiddelen en geef daarbij prioriteit aan bewerkte en verwerkte producten.
  • Geef aandacht aan de ontwikkeling van analysemethodes voor biocideresiduen in levensmiddelen.
  • Daarnaast geeft BuRO adviezen aan de (toenmalige) Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport (nu: minister van (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)):
  • Breng de uitkomst van de geadviseerde survey in Europees verband onder de aandacht zodat deze kan worden gebruikt bij de prioritering voor het vaststellen van Maximum Residulimieten (MRL’s).  
  • Breng dit advies onder de aandacht bij uw collega’s van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).

Managementreactie van IG van de NVWA

De IG van de NVWA geeft vervolgens een managementreactie aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De IG geeft aan dat er aanwijzingen zijn dat biociden in voedselproductieketens onjuist worden toegepast. Daardoor kunnen er mogelijk risico’s voor de voedselveiligheid ontstaan. Voor het merendeel van de biociden is het echter niet mogelijk om een risicobeoordeling van residuen in levensmiddelen uit te voeren. Dit komt doordat de  gehalten van residuen ontbreken. Hierdoor kan de voedselveiligheid niet worden geborgd.

Enkele punten uit de managementreactie zijn:

  • Voor biociden ontbreken MRL’s of zijn alleen algemene, zeer conservatieve, default MRL’s beschikbaar. De IG pleit voor realistische MRL’s op basis van residugegevens en risicobeoordeling.
  • Binnen de huidige monitoringsprogramma’s is maar beperkt ruimte voor risicogerichte bemonstering. BuRO adviseert een risicogerichte survey naar biocideresiduen in vlees(producten) en zuivel(producten). Maar deze moet los van het huidige monitoringsprogramma worden opgezet.
  • De huidige monitoringsprogramma’s richten zich met name op onverwerkte producten. Voor de categorie bewerkte en verwerkte producten moet dus een aparte survey worden opgezet.
  • De ontwikkeling van analysemethodes voor biocideresiduen in levensmiddelen moet aansluiten op de nog op te zetten survey.

Voor het uitvoeren van een survey is aanvullende capaciteit en budget nodig. De IG van de NVWA zal bij de betrokken departementen (IenW, VWS en (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)) pleiten voor versterking van het toezicht op het gebruik van biociden en voor de benodigde survey en de financiering daarvan.

Meer informatie